Selecteer een pagina
 Polyzoom Header Praktijk voor kind, jeugd en gezin

Gedragsproblemen (2A5)

door 3 mei 2016Klachten en Problemen (2A)

Gedragsproblemen als uiting van een veelheid aan mogelijke problemen in de binnenwereld:

Globaal gaat het hierbij om onvoldoende remming/ bijsturing van impulsen agv een tekort schietende biologische remming (ADHD), sociale (ASS/ PDD-NOS) of morele overwegingen (Antisociaal/ Gewetensprobleem).

Mn. bij de laatste zijn we terughoudender om daar definitieve uitspraken over te doen naarmate iemand jonger is en de klachten en symptomen door minder mensen worden gerapporteerd en als probleem worden ervaren.

LEES VERDER:

  • Denken – Voelen – Doen: De laatste van de driedeling waar menselijke activiteiten in zou kunnen worden ondergebracht (en waar dus iets aan de hand zou kunnen zijn) is het ‘DOEN’. (waarbij ‘Doen’ dan verwijst naar ‘Gedrag’ en ook wel eens aangeduid wordt met woorden als ‘Willen’ of Handelen’)
    .
  • Symptoom/ uiting van iets anders: Gedragsproblemen is wel een heel breed begrip waar zo’n beetje alles onder geschaard zou kunnen worden. In feite is gedrag ‘slechts’ de uiting van wat er in de binnenwereld gebeurt.
    .

    • Voorbeelden: Dat kan agressief of opstandig gedrag zijn of juiste overmatige passiviteit, verlegenheid, sociale angst, druk gedrag, chaotisch/ niet planmatig te werk gaan, impulsiviteit (=eerst doen en dan pas denke, moeilijke stuurbaarheid en corrigeerbaarheid (en dus bijv. opvoedingsproblemen), gebrekkige aansluiting bij of afstemming op leeftijdgenoten, pesten of gepest worden, maar ook gewetensproblemen, worden vaak met gedragsproblemen in verband gebracht.
      .
  • Primaire impulsen: In feite zou je kunnen zeggen dat het opkomen van allerlei impulsen om dingen te doen, te laten, te zeggen, etc. hoe extreem in eerste instantie misschien ook, waarschijnlijk heel normaal is. Maar er is iets in ons dat ons er van weerhoudt om die impulsen te uiten in gedrag of wat we aanwenden om ons gedrag bij te sturen tot sociaal acceptabel gedrag.
    .
  • Gedrag als compromis: Gedrag dus waarbij tegelijkertijd recht gedaan wordt aan eigen wensen en behoeften en aan die van anderen.
    .
  • Sociale en morele remming van impulsen: Dat wat ons ervan weerhoudt alleen maar onze eigen impulsen bot te vieren, kunnen sociale overwegingen zijn (bang dat men je raar vindt of boos wordt of aan kunnen voelen wat je wel of niet kunt maken, zeggen of doen) of morele overwegingen (je kunnen voorstellen of mee kunnen voelen hoe iets voor de ander is en dat vanuit empathie niet over je hart kunnen krijgen).
    .
  • Sociale consequenties van het onvoldoende bijsturen van je impulsen: Je kunt je voorstellen, dat als er ook maar iets mankeert aan je vermogen/ geneigdheid je te verplaatsen in de ander, de wereld te bekijken door de ogen en dus vanuit het perspectief van die ander en a.h.w. van binnen uit mee te voelen hoe iets voor hem of haar overkomt of wordt beleefd, dat je dan al snel een probleem hebt in de sociale omgang met anderen, hetgeen zich uit in gedragsproblemen omdat de natuurlijke rem op je gedrag ahw ontbreekt of minder goed werkt.
    .
  • Sociaal Antenneprobleem: Heel kort door de bocht zou je kunnen zeggen dat als het meer een kwestie is van weliswaar goede intenties maar het niet kunnen aanvoelen, verplaatsen, inleven en dus een beperkt sociaal ‘snapvermogen’ cq sociale naïviteit, we eerder in de richting gaan denken van een sociaal antenne probleem ofwel ASS.
    .
  • ADHD: Is het vermogen zich te verplaatsen en in te leven wel intact maar stuurt dat desondanks het eigen gedrag onvoldoende bij dan kan dat op een verhoogde impulsiviteit cq gebrekkige beheersing/ remming van eigen impulsen (en dus een te kort schietende een biologische functie: remming) zoals bij ADHD wijzen, waarbij men ahw telkens ingehaald wordt door zijn impulsen maar achteraf het gevoel heeft dat het hem weer is ontglipt maar dat hij het liever anders had gedaan.
    .
  • Gewetensproblemen: Heeft men echter de indruk dat het inlevingsvermogen er wel is maar de drang om de eigen behoeften te bevredigen, zo nodig ten koste van de ander en dus met weinig bereidheid rekening te houden met de ander, dan gaat men toch denken in de richting van een gewetensprobleem. In de DSM aangeduid met de term ‘Contact Disorder’ (niet willen deugen ?) met in het verlengde daarvan egocentrisme en antisociale persoonlijkheidsproblematiek (waarvoor het echter al wel heel lang en structureel moet bestaan en wat men dus alleen bij volwassenen mag overwegen).
    .
  • Voordeel van de twijfel: In de praktijk echter is het vaak niet het een of het ander, is er veel overlap en neigt iemand in bepaalde situaties en in contact met sommige mensen meer naar de ene omgangsstijl dan in andere situaties. Pas wanneer er zich een duidelijk voorkeursstijl begint af te tekenen en naarmate die langer bestaat, begint het iets te zeggen over iemands persoonlijkheid en het al of niet bestaan van een stoornis. Bij kinderen mag men, m.b.t. ev. gewetensproblemen, nog niet in die richting denken en geven we hen daarom altijd het ‘voordeel van de twijfel’, totdat het tegendeel keihard bewezen is. Tot die tijd kunnen dergelijke trekken hooguit kunnen worden opgevat als voortekenen van een mogelijke ontwikkeling in antisociale richting (waar ouders en leerkrachten hun voordeel mee kunnen doen in hun pogingen het tij te keren) hoewel dat in de praktijk (na de puberteit) toch ook vaak wel weer spontaan bijtrekt.
    .
  • Breed gedragen diagnostiek: U begrijpt dat er bij zulke diagnoses niet over een nacht ijs gegaan wordt en voor de diagnostische weging van dergelijke symptomen de leeftijd en de inschatting van de ouders en leerkrachten dus een groter gewicht in de schaal legt dan bij stoornissen die meetbare symptomen veroorzaken en dus objectiever vast te stellen zijn.
    .
  • Contra-Indicatie voor behandeling binnen PolyZoom: Is iemand eenmaal volwassen en is er sprake van antisociale persoonlijkheidsproblematiek (vaak gepaard gaande met verslaving, crimineel gedrag, contact met politie en justitie), waarvoor behandeling nodig is, dan vereist dat specifieke expertise die wij niet in huis hebben en waarvoor wij dan moeten verwijzen naar collega’s werkzaam binnen de forensische psychiatrie en/ of verslavingszorg.
    .
  • Diagnostiek: Gedragsproblemen vormen weliswaar heel vaak de directe aanleiding voor het zoeken van hulp, maar om er echt iets aan toe doen, is het dus nodig om een geloofwaardige hypothese te ontwikkelen van wat er innerlijk aan de hand zou kunnen zijn, waar het gedrag een uiting van is. Een proces dat ‘diagnostiek’ wordt genoemd.
    .
  • Zo mogelijk vanuit begrip en inzicht: Iets waar wij binnen PolyZoom grote waarde aan hechten vanuit een soort ingeboren weerzin om iets te gaan doen zolang we niet weten wat er aan de hand is. (I.t.t. sommige zeer pragmatische therapeuten uit de hoek van bijv. de zgn. ‘oplossingsgerichte’ therapierichtingen die meer te werk gaan vanuit een grondhouding van: ‘het interesseert ons niet waardoor iets komt en hoe het werkt, als het maar werkt’).
    .
  • Procesdiagnostiek: De eerlijkheid gebied ons echter om te zeggen dat het ons ook niet altijd lukt om precies te achterhalen hoe iets in elkaar zit en we dus ook noodgedwongen genoegen moeten nemen met een zgn. ‘werkhypothese’; een voorlopige aanname van wat er mogelijk aan de hand kan zijn en dat kan worden aangewend om een voorlopig beleid op te stellen, maar waarbij serieus rekening gehouden moet worden met de mogelijkheid dat die verklaring gaandeweg moet worden bijgesteld op basis van voortschrijdend inzicht en/ of het al dan niet aanslaan van bepaalde behandelingen of interventies. Een proces dat ‘procesdiagnostiek’ genoemd wordt en waarbij diagnostiek dus niet altijd in de tijd voorafgaat aan behandeling maar gelijk opgaat en soms zelf na verloop van tijd niet uitkomt boven het niveau van symptoombestrijding.
    .
  • Individuele en systemische benadering: Zoals al eerdere en elders op deze website gesteld zullen we daarbij niet alleen individuele factoren in overweging nemen zoals de geaardheid of specifieke levensgeschiedenis/ ‘live-events’), maar ook ev. oorzakelijke, in stand houdende of versterkende factoren in de omgeving (1e milieu: partner/ gezin, 2e milieu: school/ werk; 3e milieu: vriendengroep, vrije tijd; 4e milieu; sociale media; 5e, 6e en 7e milieu: resp. maatschappelijke, culturele en spirituele factoren) bij mogelijk verklaringen betrekken.
    .
  • Symptoombestrijding als laatste optie: Pas als het desondanks niet lukt om een geloofwaardige en samenhangende verklaring te formuleren voor dat het zo gaat zoals het gaat, nemen we onze toevlucht tot slechts symptoombestrijding, bijv. medicatie, maar dan toch altijd voor zover mogelijk ingebed in een bredere verklaring en psychologische behandeling.

+++++++++++++

Vragen met het gedrag van uw kind (inclusief aansturen van het gedrag en dus zaken betreffende het ‘Geweten’)

Denken – Voelen – Doen: De laatste van de driedeling waar menselijke activiteiten in zou kunnen worden ondergebracht (en waar dus iets mee aan de hand zou kunnen zijn) is het ‘DOEN’. (waarbij ‘Doen’ dan verwijst naar ‘Gedrag’ en ook wel eens aangeduid wordt met woorden als ‘Willen’ of Handelen’)

Symptoom/ uiting van iets anders: ‘Gedragsproblemen’ is wel een heel breed begrip waar zo’n beetje alles onder geschaard zou kunnen worden. In feite is gedrag immers ‘slechts’ de uiting van wat er in de binnenwereld allemaal gebeurt.

Voorbeelden: Dat kan agressief of opstandig gedrag zijn of juiste overmatige passiviteit, verlegenheid, sociale angst, druk gedrag, concentratieproblemen, moeilijke stuurbaarheid en corrigeerbaarheid (en dus opvoedingsproblemen), gebrekkige aansluiting bij of afstemming op leeftijdgenoten, gepest worden, etc. etc.

De term ‘Gedragsstoornis’ wordt echter gereserveerd voor mensen met zgn ‘externaliserende’ problemen.

Continuüm van hypersociaal meevoelend naar antisociaal egocentrisch: Je zou alle mensen op een continuüm kunnen plaatsen, een lijn met aan het ene uiterste links de mensen die zich extreem voegen naar anderen en zichzelf volledig wegcijferen en aan de andere kant rechts, zij die volledig egocentrisch bevrediging van hun eigen wensen en behoeften nastreven en met niemand rekening houden.

De mensen links van het midden hebben een grote kans om zgn. ‘Internaliserende’ stoornissen te ontwikkelen (zoals angst, depressie, afhankelijkheid, vermijding, etc.), terwijl rechts van het midden de mensen zitten met een grotere kans op het ontwikkelen van zgn. ‘externaliserende’ stoornissen (zoals agressie, impulsiviteit, verslaving, criminaliteit, etc.), met dus helemaal aan het meest rechtse uiteinde de mensen met een antisociale persoonlijkheidstoornis. De mensen met een gedragsstoornis zitten rechts van het midden.

Waarschijnlijk is het feit dat er allerlei behoeften, wensen en impulsen in ons opkomen, hoe extreem ook, helemaal niet zo gek of afwijkend. Er is echter iets in ons dat ons er van weerhoudt ze in onverhulde/ ongecensureerde vorm te uiten of ons gedrag er door aan te laten aansturen, waardoor wij sociaal kunnen functioneren, dwz rekening houden met anderen (50%) zonder onszelf te kort te doen (50%) en dus ergens rond dat midden op het continuüm bewegen.

De vraag is wat dat is wat ons ervan weerhoudt om onze impulsen blindelings te volgen of te uiten, want als je dat weet, weet je ook waarom iemand bijv. te veel rechts van het midden zit.

Dat kunnen sociale overwegingen zijn, het niet ‘snappen’/ aanvoelen dat/ waarom je bepaalde dingen niet kunt maken, zeggen of doen, vanuit een zich niet kunnen verplaatsen in de ander en dus ook niet van binnen uit in- of mee kunnen voelen hoe iets bij die ander aankomt, zoals bijv. igv autisme het geval is.

Maar dat kunnen ook morele overwegingen zijn. Dus te weinig angst, schuldgevoel of schaamte kunnen voelen en dus een gewetensprobleem zoals bij antisociae mensen het geval is.

ADHD: Het kan natuurlijk ook zo zijn dat je wel degelijk bang bent, je schaamt, baalt of je schuldig voelt, maar dat het je gewoon niet lukt je impulsen te beheersen, ofwel omdat ze te sterk zijn (een te groot muitend leger), ofwel omdat jij te zwak bent (generaal met weinig gezag) ofwel omdat je afweermechanismen het begeven (je adjudanten/ hulpofficieren je aan je lot over laten).

LEES MEER …

Diagnostiek: Gedragsproblemen vormen weliswaar heel vaak de directe aanleiding voor het zoeken van hulp, maar om er echt iets aan toe doen is het nodig om een geloofwaardige hypothese te ontwikkelen van wat er innerlijk aan de hand zou kunnen zijn waar het gedrag een uiting van is. Een proces dat ‘diagnostiek’ wordt genoemd.

Zo mogelijk vanuit begrip en inzicht: Iets waar wij binnen PolyZoom grote waarde aan hechten vanuit een soort ingeboren weerzin om iets te gaan doen zolang we niet weten wat er aan de hand is. (I.t.t. sommige zeer pragmatische therapeuten uit de hoek van bijv. de zgn. ‘oplossingsgerichte’ therapierichtingen die meer te werk gaan vanuit een grondhouding van: ‘het interesseert ons niet waardoor iets komt en hoe het werkt, als het maar werkt’).

Procesdiagnostiek: De eerlijkheid gebied ons echter om te zeggen dat het ons ook niet altijd lukt om precies te achterhalen hoe iets in elkaar zit en we dus ook noodgedwongen genoegen moeten nemen met een zgn. ‘werkhypothese’; een voorlopige aanname van wat er mogelijk aan de hand kan zijn en dat kan worden aangewend om een voorlopig beleid op te stellen, maar waarbij serieus rekening gehouden moet worden met de mogelijkheid dat die verklaring gaandeweg moet worden bijgesteld op basis van voortschrijdend inzicht en/ of het al dan niet aanslaan van bepaalde behandelingen of interventies. Een proces dat ‘procesdiagnostiek’ genoemd wordt en waarbij diagnostiek dus niet altijd in de tijd voorafgaat aan behandeling maar gelijk opgaat.

Individuele en systemische benadering: Zoals al eerdere en elders op deze website gesteld zullen we daarbij niet alleen individuele factoren in overweging nemen zoals de geaardheid of specifieke levensgeschiedenis/ ‘live-events’), maar ook ev. oorzakelijke, in stand houdende of versterkende factoren in de omgeving (1e milieu: partner/ gezin, 2e milieu: school/ werk; 3e milieu: vriendengroep, vrije tijd; 4e milieu; sociale media) bij mogelijk verklaringen betrekken.

Symptoombestrijding als laatste optie: Pas als het desondanks niet lukt om een geloofwaardige en samenhangende verklaring te formuleren voor dat het zo gaan zoals het gaat, nemen we onze toevlucht tot slechts symptoombestrijding, bijv. medicatie, als het even kan dus bij voorkeur ingebed in een bredere verklaring en psychologische behandeling.

-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-

Interne links: (naar geassocieerde onderwerpen BINNEN deze website)

  • .

Externe links: (naar geassocieerde onderwerpen BUITEN deze website)

  • .