Selecteer een pagina
 Polyzoom Header Praktijk voor kind, jeugd en gezin

Ontwikkelingsproblemen (2A2)

25 apr 2016 | Klachten en Problemen (2A)

Auteur: T.B. Eisenga
Laatste Update: 03-06-2016

‘Ont-wikkeling’: De ontwikkeling kan weliswaar gestimuleerd, geremd en gestuurd worden door omstandigheden zoals opvoeding, maar verloopt toch ook grotendeels van binnenuit en vanzelf, (het woord zegt het al: alsof er iets ‘ont’-wikkeld wordt), zonder dat we overigens precies weten hoe dat gestuurd en gecoördineerd wordt.

Dwz dat allerlei vaardigheden die je weer nodig hebt voor de ontwikkeling van andere vaardigheden, als het goed is, precies op tijd en in de juiste volgorde moet plaatsvinden. Dat dat door onze genen aangestuurd wordt, is wel duidelijk, maar hoe dat precies gebeurt, laat staan hoe we dat zouden kunnen bijsturen, is niet bekend en dat zal waarschijnlijk de komende 50 jaar helaas ook wel zo blijven Lees meer …

 

  • Voorbeelden: 
    • Om te kunnen eten moet je eerst de oog-hand coördinatie onder controle hebben  om überhaupt iets van je hand in je mond te kunnen krijgen, maar moet je ook kunnen kauwen en slikken en niet andersom want dan verslik je je.
      .
    • Om te fietsen moet je eerst je evenwicht kunnen bewaren en daarvoor moet je weer eerst kunnen lopen.
      .
    • Om zindelijk te kunnen worden (en dan wordt het al een stuk abstracter), moet je eerst een besef hebben van ‘jezelf’ en van ‘niet zelf’, dat er dingen zijn die bij jou horen en dingen die niet bij jou horen, een besef van binnen en buiten, van dat je het ene moment nog samen kunt vallen met iets, dat dus letterlijk en figuurlijk ‘in’ je zit (en dus bij jou hoort) en dat datzelfde ding zich even later buiten jou kan bevinden, waar je er afstand van kunt doen waarna het dus niet meer bij jou hoort. (En misschien is een zeker besef van wat een ander er van vindt [en dus inlevingsvermogen] en dus misschien schaamte ook wel een voorwaarde om ooit zindelijk te kunnen worden).
      .
    • Maar nog ingewikkelder: Om sociaal aangepast gedrag te kunnen vertonen moet je je eerst kunnen verplaatsen in een ander en om dat weer te kunnen moet je je eerst een voorstelling kunnen vormen van de ander als een ander, dwz met een eigen wil, eigen wensen en behoeften ipv als een verlengstuk van jezelf, etc. (Ook wel ‘TOM’ (een ‘Theory of Mind’ van de ander) genaamd die je dus zou moeten hebben).
      .
  • Coördinatie en onderlinge afstemming van de ontwikkeling van vaardigheden en functies: De ontwikkeling van allerlei vaardigheden die je weer nodig hebt voor de ontwikkeling van weer andere, moet dus precies op tijd, in de juiste volgorde en dus onderling goed op elkaar afgestemd, plaatsvinden. Dat dat door onze genen aangestuurd wordt, is wel duidelijk, maar hoe dat precies gebeurt, laat staan hoe we dat zouden kunnen bijsturen, is niet bekend en dat zal waarschijnlijk de komende 50 jaar helaas ook wel zo blijven.
    .
  • Ontwikkelingsproblematiek: Neemt niet weg dat het tamelijk veel voorkomt dat die aansturing van de ontwikkeling niet helemaal goed verloopt, bijv. vertraagd of in de verkeerde volgorde, wat zich uit in problemen die we aanduiden met de term ‘Ontwikkelingsproblematiek’.
    .

    • In wezen op te vatten als lego bouwsteentjes die weer nodig zijn voor latere, grotere gehelen. Als je er een auto mee bouwt en een van wieltjes is te klein, te groot of een beetje vierkant is, dan kun je er later best mee rijden en zolang je er gewoon af en toe mee naar de bakker en de slager rijdt, is het geen probleem. Maar als er mee geracet moet worden tegen andere auto’s, wordt het toch een probleem en zal hij niet goed mee kunnen komen.  Als een van de wielen helemaal ontbreekt, wordt ook het ritje naar de bakker een probleem. De mate waarin je er dus last van hebt hangt dus vooral af wat je er mee gaat doen.
      ..
  • Oorzaak vs aanleiding: Iets (de vorm en de grootte van de wielen) dat dus in de genen (‘aard van het beestje’) zit, hoewel dat zich beslist niet perse vanaf de geboorte hoeft te manifesteren. Vaak kunnen kinderen met deze kwetsbaarheden lange tijd nog heel aardig meekomen tot het moment dat er een groter appel op die niet goed ontwikkelde vermogens wordt gedaan (als ze 9 of 12 worden en er op school opeens geracet moet worden).
    .
  • Luxerende factoren: Zo lijkt bijv. het appel op sociaal functioneren, opeens veel groter te worden als een kind ongeveer 9 jaar oud is en dus in groep 5 zit. Een eventueel achterlopende ontwikkeling van het vermogen je te verplaatsen, je eigen gedrag af te stemmen op de ander, rekening te houden met de ander en dus te kunnen samenwerken, leidt dan ook vaak op die leeftijd pas tot problemen, die er bij nader inzien daarvoor ook wel waren maar niet zo opvielen en toen nog niet tot problemen leidden.
    .
  • Meest complexe = meest kwetsbare: Niet zo vreemd want je zou kunnen zeggen dat als er nu iets ingewikkeld is voor onze hersenen, dat wel sociaal functioneren is en als er dus ook maar iets niet helemaal goed gaat in de ontwikkeling van de hersenen, zich dat vooral zal uiten op dit meest complexe gebied en wel op het moment dat daar een groot beroep op wordt gedaan.
    .
  • Last afhankelijk van de context: Andersom zou men ook kunnen zeggen, dat de problemen zich waarschijnlijk niet of in veel mindere mate uiten, als er minder appel op complex sociaal functioneren wordt gedaan en dus naarmate iemands leefomgeving duidelijker, concreter en gestructureerde is, men vooral concreet werk heeft en/ bijv. de hele dag met computers werkt en verder niet zo veel hoeft samen te werken.
    .

    • Of zoals een ouder van een patiëntje ooit zei: ‘Iemand met een heel klein beetje ADHD, ergens in een stad, drie hoog achter, met een te veel drinkende vader, zal veel meer last hebben van dat beetje ADHD, dan iemand met een ‘dijk van een ADHD’ ergens op een boerderij in Oost Groningen met 3 bunder land’.
      .
  • Subtiele vroege uitingen van ontwikkelingsproblematiek: Toch blijkt er dus bij nadere beschouwing voor het 9e levensjaar toch ook vaak al wel sprake te zijn geweest van bijzonderheden, die echter toen nog niet zo tot problemen leidden, omdat er minder appel gedaan werd op minder goed ontwikkelde (sociale) vaardigheden en/ of deze voldoende werden gecompenseerd/ gecamoufleerd door de omgeving die e.e.a. opving.
    .
  • Anders dan anderen: Ouders vertellen echter toch vaak dat ze intuïtief altijd al het gevoel hadden dat er iets ‘anders was dan bij anderen’, maar dat ze daar ahw ‘niet goed de vinger achter kregen’. Mn als het om hun eerste kind gaat, omdat ze toen nog weinig vergelijk hadden, hoewel ze zich dan achteraf wel min of meer terloopse opmerkingen van opa’s en oma’s, crèche-leidsters en andere omstanders herinneren, over bijzonderheden van hun kind, maar zich dat destijds zelf nog niet bewust van werden, ook omdat ze toen dus nog geen vergelijk (maar ook geen probleem ermee) hadden. De komst van een tweede kind helpt hen dan vaak zich bewust te worden dat er toch iets aan de hand is en vormt dan vaak de aanleiding om hulp te gaan zoeken. Ook omdat hun eerste kind plotseling de aandacht van zijn ouders moest gaan delen met zijn broertje of zusje, hetgeen een kwetsbaar kind vaak moeilijker verdraagt.
    .
  • Familiaire patronen en erfelijkheid: Bovendien gaan ouders zich tegen die tijd vaak ook realiseren dat hun kind niet de enige is binnen de familie met dergelijke trekken en/ of gebeurt het zelfs regelmatig dat een van de ouders (meestal de vader) zichzelf in de besproken problematiek van zijn kind zegt te herkennen.
    .
  • Beloop in de tijd. Ontwikkelingsanamnese/ Biografie: Een van de belangrijkste vragen om op het spoor van ontwikkelingsproblematiek te komen, is dan ook: ‘Hoe oud was uw kind toen u voor het eerst het gevoel had dat er iets anders was dan anders ?’ Vaak hebben ze het dan over een jaar of drie, hoewel er bij doorvragen toch ook al eerder sprake was van bijzonderheden, zoals slaap- en voedingsproblemen, veel huilen, moeilijke troostbaarheid, een moeizame hechting, bijzondere interesses of bezigheden, etc. en zelfs daarvoor al: complicaties tijdens de zwangerschap of bevalling; Niet dus als oorzaak, maar eerder als eerste verschijnselen dat er iets niet helemaal in orde is met de genen. Zaken die allemaal systematisch bij langs gelopen moeten worden tijdens het afnemen van de zgn ‘ontwikkelingsanamnese’ ofwel de ‘biografie’.
    .
  • Onderling samenhangende ontwikkelingsstappen: De ontwikkeling betreft aldus talloze gebieden die allemaal ongeveer gelijk op of in de juiste volgorde moet plaatsvinden om te voorkomen dat er uiteindelijk essentiële vaardigheden ontbreken of definitief achterblijven, waardoor het geheel niet goed kan functioneren.
    .

    • Metafoor van de bouw van een huis: Enigszins te vergelijken met de bouw van een huis waarbij de aannemer alle dingen in de juiste volgorde moet laten gebeuren en bijv. eerst de elektricien, daarna de stukadoor en pas daarna de schilder moet inzetten en niet andersom, omdat anders de contactdozen dicht gestuukt worden en de schilder weer helemaal overnieuw moet beginnen als hij te vroeg wort ingezet. Een ontwikkelingsstoornis is in deze metafoor te vergelijken met een elektricien die niet komt opdagen of een stukadoor die te traag werkt of een schilder die te vroeg begint. Gemakkelijk voor te stellen dat het dan niet goed komt met het huis of dat het op zijn minst veel langer gaat duren voordat het opgeleverd kan worden.
      .
  • Specifieke ontwikkelingsstoornis: Nu kan het zijn dat bijv. alleen de stukadoor niet snel genoeg werkt en hoewel dat consequenties heeft voor de anderen, is de kans groot dat men dat met elkaar nog wel kan opvangen en er wel een draai aan weet te geven. In zo’n geval, als de ontwikkeling slechts op een gebied hapert, spreekt met van een specifieke ontwikkelingsstoornis. (In de eerdere metafoor van het lego-autootje zou er dan alleen een wieltje ontbreken of afwijken qua groote of vorm).
    .

    • Voorbeelden daarvan zijn specifieke leerstoornissen als dyslexie, dyscalculie, taal-spraakstoornissen of motorische/ coordinatiestoornissen (DCC). Stoornissen waar men dus slechts in bepaalde situaties last van heeft en iemand dus niet onder alle omstandigheden parten spelen.
      .
  • AD(H)D: Als het bijv. vooral de ontwikkeling van het concentratievermogen, planning- en organisatie van bezigheden en/ of de beheersing van motorische aandrang, betreft, spreekt men van ADD of ADHD. (Maar alleen dus als er geen andere voor de hand liggende lichamelijke factoren of omstandigheden zijn, waar e.e.a. een reactie op is en de problemen al van jongs af aan en dus min of meer onafhankelijk van omstandigheden aanwezig is).
    .

    • Kanttekening: Hoe specifiek is specifiek ?: … hoewel het overigens maar de vraag is hoe specifiek (geïsoleerd) dergelijke problemen nu eigenlijk zijn, want bij doorvragen blijken er toch vaak op allerlei andere gebieden ook wel aanwijzingen dat niet alles even vanzelfsprekend is verlopen …. Dus hoe vaak komen dyslexie of ADHD echt alleen ??
      .
    • Overdenking: Is in essentie niet alles te begrijpen vanuit een niet optimaal verlopen ontwikkeling ?: Strikt genomen zou men zich kunnen afvragen waarom eetstoornissen zoals anorexia en bulimia, problemen met het zindelijk worden, maar ook gewetensproblemen, extreme opstandigheid (ODD) of (separatieangst-) stoornissen, niet ook onder de ontwikkelingsstoornissen worden geschaard. Men zou immers kunnen stellen dat het in essentie gaat om een niet goed tot ontwikkeling komen van het vermogen om respectievelijk zelf te reguleren dat en hoeveel men eet, rekening te houden met anderen, zich sociaal te gedragen en zichzelf gerust te leren stellen. (U zult begrijpen dat wij als ontwikkelingsdenkers geneigd zijn dergelijke problemen niet alleen als statische gegevenheden maar toch ook door een ontwikkelingspsychologische bril te bekijken en te begrijpen).
      .
  • ‘Pervasieve’ Ontwikkelingsstoornis: Aan de ene kant van het spectrum liggen dus de min of meer ‘Specifieke’ ontwikkelingsstoornissen en aan de andere kant de zgn. ‘Persvasieve’ ontwikkelingsstoornissen, waarbij veel meer ontwikkelingsgebieden (en dus ook hogere [meer samengestelde] cognitieve functies en sociale vermogens) zijn betrokken en die dus op veel meer gebieden (en minder afhankelijk van specifieke omstandigheden) problemen veroorzaken. Dergelijke stoornissen duidt men dus vaak aan met de term ‘Pervasief’ hetgeen zoiets betekent als ‘meerdere ontwikkelingsgebieden betreffende’ of ‘onder alle omstandigheden’ ofwel ook wel op te vatten als zijnde het tegenovergestelde van begrippen als ‘situatief’ en ‘specifiek’.
    .
  • PDD-NOS/ ASS: Een voorbeeld van een niet optimaal verlopende ontwikkeling om meerdere gebieden en mn als daar ook de sociale ontwikkeling bij betrokken is, is PDD-NOS, wat een afkorting is van de Engelse benaming: ‘Pervasive Development Disorder Not otherwise Specified’ ; een term die in de DSM-5, die vanaf 2015 van kracht is, is vervangen door ‘ASS’ ofwel ‘Autisme Spectrum Stoornis’. Dat woord ‘Spectrum’ verwijst naar een continuüm lopend van heel licht (dwz een ‘specifiek’ ontwikkelingsgebied betreffende) aan het ene uiteinde van het spectrum, tot ‘alle ontwikkelingslijnen betreffende’ aan het andere uiteinde van het spectrum dat ook wel met de term ‘Autisme’ wordt aangeduid.
    .
  • Verdwenen categorieën: Voorheen in de DSM-4 onderscheidde men daarbinnen ook nog twee subgroepen die inmiddels zijn ‘afgeschaft’, omdat ze wetenschappelijk onvoldoende konden worden hardgemaakt om als subgroep te kunnen worden onderscheiden (maar waar u wellicht wel van hebt gehoord en u zich misschien afvraagt waar die gebleven zijn).
    .

    • Het betrof: het syndroom van Asperger (met als specifieke kenmerken een normale taalontwikkeling en een tenminste gemiddelde cognitieve intelligentie/ IQ) en …
      .
    • MCDD (‘Multiplex Complex Development Disorder’) waar de nadruk lag op emotieregulatiezwakte (boze buien, angsten, etc.) en een niet altijd even scherp onderscheid tussen realiteit en fantasie.
      .
    • Beiden bestaan dus officieel niet meer, zonder dat er een andere classificatie voor in de plaats is gekomen en zijn opgegaan in het ruimere verzamelbegrip ASS. (Soms wel jammer want ook al waren die begrippen niet erg valide, ze hielpen ons vaak toch wel om ons dingen voor te kunnen stellen en er over te kunnen communiceren.
      .
  • ‘Theory of Mind’ (TOM): Over ‘Autisme Spectrum Stoornissen’ zijn boeken vol geschreven, wat we hier uiteraard niet tot in detail kunnen samenvatten. Maar in de kern komt het neer op een aangeboren verminderd vermogen/ geneigdheid zich te verplaatsen in de ander, zich in te leven, zich voor te kunnen stellen hoe situaties er vanuit het perspectief van de ander uit zou kunnen zien, om van daaruit andermans beweegredenen in te kunnen voelen en te begrijpen en op grond daarvan sociale feedback aan te wenden om eigen gedrag bij te sturen en af te stemmen op de ander en de situatie.
    .
  • Metafoor van de minder gevoelige ‘Sociale Antennes’: Een andere hulpvoorstelling om te begrijpen waar het mis gaat is de metafoor van de sociale antennes.
    .

    • Verbale communicatie: De communicatie tussen mensen vindt slechts voor 10% plaats mbv woorden en dus op grond van wat er letterlijk gezegd wordt, waarvoor we dus onze mond en oren gebruiken. Dit noemen we de verbale communicatie;
      .
    • Non-Verbale communicatie: Voor de overige 90 % echter communiceren we vooral non-verbaal, dwz interpreteren we wat de ander bedoelt, pikken we op wat er tussen de regels door gecommuniceerd wordt aan boodschappen, maar ook normen en waarden en gebruiken we al dat soort informatie om in te schatten wat men in bepaalde situaties wel of niet kan maken, zeggen of doen. Dat soort informatie pikken we op met onze ‘sociale antennes’ die je zou kunnen opvatten als een speciaal soort zintuig.
      .
    • U kunt zich voorstellen dat als er ook maar iets mankeert aan die antennes, dat meteen aanleiding geeft tot meer of minder subtiele sociale misverstanden en aanvaringen, met alle gevolgen van dien.
      .
    • Nu is het zo dat aan de antennes van mannen veel vaker iets mankeert dan bij vrouwen. Er zijn zelfs onderzoekers die gekscherend zeggen dat  PDD-NOS/ ASS in feite het gevolg is van een ‘super mannelijk brein’ en men bij mannen dus ook wat andere criteria moet aanleggen voordat men het een stoornis noemt. Dat zien we bijv. ook terug in het feit dat 9 van de 10 problemen waarvoor mensen in relatietherapie komen, op de een of andere manier te maken heeft met een antenneprobleem van een van de echtelieden en dus meestal van die van de man.
      .
  • Informatieverwerkings-/ integratieproblematiek: De metafoor van de minder gevoelige sociale antennes gaat overigens niet altijd op want sommige mensen met ASS hebben juist extra gevoelige antennes, pikken meer op dan gemiddeld, waarbij er dan verderop in het proces van informatieverwerking in de hersenen (bijv. daar waar de informatie gewogen en geïnterpreteerd moet worden) iets fout gaat, met in feite dezelfde gevolgen als bij mensen met minder gevoelige antennes, nl sociale misverstanden en aanvaringen, hoewel de oorzaak van de problemen dus wat verderop in het proces zit en als dat bijv. komt door te veel ‘emotionele storm’ (wat men vroeger MCDD noemde, of een verhoogd angstniveau, verhoogde achterdocht, etc.) men in de behandeling bijv. meer kan bereiken door zich wat meer te richten om het creëren van rust in het hoofd, mbt medicatie, mindfulness of het in gesprek leren expliciteren van veronderstelde intenties van anderen, etc. Terwijl naarmate de nadruk ligt op een minder gevoelige antenne, en dus het niet oppikken van sociale informatie, de nadruk in de behandeling meer komt te liggen op het aanleren van trucs en regels ipv het trainen van sociaal inzicht.
    .
  • Computermetafoor: Om toch maar even weer een computer metafoor te gebruiken zou men de hersenen kunnen voorstellen als een processor, die informatie verwerkt. Als er te veel informatie binnenkomt, bijv. omdat er te weinig onderscheid gemaakt wordt tussen hoofd- en bijzaken en de prikkelselectie dus te kort schiet (ADHD) of als de processor wel goed is in het verwerken van getallen (lees: ‘digitale’ feiten) maar niet in het verwerken vn grafische informatie (lees: Sociaal-Emotionele ‘analoge’ informatie), daar te veel, te weinig of een verkeerde gewichten/ betekenissen aan worden toegekend (ASS), dan blijft de processor er mee bezig, krijgt hij de informatie niet snel genoeg verwerkt om weg te schrijven naar de harde schijf, waardoor hij niet beschikbaar is voor de verwerking van nieuw aangeboden informatie en loopt de computer dus vast..
    .

    • Maar dat kan ook gebeuren als er te weinig rust is, als er sprake is van te veel ‘emotionele stormen’ (angst, woede, achterdocht, etc.), waardoor de signaal-ruis verhouding verstoord raakt (zoals bij MCDD het geval is). Kortom: Allemaal oorzaken van een niet goed afgestemd zijn van de hoeveelheid en het type aangeboden informatie en de verwerkingscapaciteit van de processor.
      .
  • Essentie van psychiatrische diagnostiek: U begrijp dat het in de (kinder- en Jeugd-) Psychiatrie, anders dan in de rest van de geneeskunde, dus vrijwel nooit gaat om de vraag of iemand iets wel of niet heeft, maar eerder in weke mate iemand afwijkt van een gemiddelde en of hij er, qua context, voldoende last van heeft/ onder lijdt om aanspraak te kunnen maken op een diagnose.
    .
  • ‘Grens tussen normaal en abnormaal’: Dat raakt dan weer aan de vraag welke bandbreedte wij met zijn allen hebben afgesproken nog als acceptabel en ‘normaal’ te bestempelen en dus in welke mate iemand moet afwijken van het gemiddelde een diagnose te rechtvaardigen.
    .
  • Perverse prikkels: Waar dan ook nog eens allerlei belangen in mee spelen die helemaal niets met de klachten en lijdensdruk te maken hebben, zoals het feit dat men tegenwoordig alleen maar voor allerlei voorzieningen in aanmerking komt als men een diagnose heeft (Rugzakje, PGB, ZIN, Wajong, extra tijd bij examens, etc.) en zelfs vergoeding van de zorg door zorgverzekeraars en gemeentes afhankelijk is van het überhaupt hebben van een diagnose en daarbinnen ook nog van bepaalde specifiek diagnoses terwijl andere (en steeds meer) van vergoeding zijn/ worden uitgesloten.
    .
  • Diagnose is dus sterk afhankelijk van de context en de lijdensdruk: U begrijpt inmiddels dat de last die iemand er van heeft (en dus de vraag of het iets toevoegt om ergens een diagnostisch etiket op te plakken) dus mede afhankelijk is van de context. M.a.w. analoog aan het eerdere voorbeeld over ADHD: een maatschappelijk werker of andere hulpverlener die zelf enkele trekken van PDD-NOS/ ASS heeft, zal daar waarschijnlijk veel meer last van hebben dan een ICT-er, een visser of een boswachter die qua aantal en ernst van de symptomen tegen het autistische aan hangt. (Ik hoop dat ik nu geen ICT-ers, vissers of boswachters voor het hoofd stoot want ook onder die beroepsgroepen zijn er natuurlijk mensen die belast zijn met juist de sociale aspecten (acquisitie, voorlichting, opleiders) en dat heel goed doen).
    .
  • Man – vrouw verschillen: Daarbij komt ook nog eens dat ASS- trekken bij mannen gemiddeld genomen veel vaker voorkomen dan bij vrouwen en men voor mannen dus eigenlijk wat andere criteria zou moeten hanteren alvorens het afwijkend te noemen. (Zie ook de eerdere opmerking dat er zelfs gerenomeerde ASS deskundigen en onderzoekers zijn op dat gebied die stellen dat ASS in feite een uiting van een ‘super mannelijk brein’ betreft).
    .
  • Kortom: Ontwikkelingsproblematiek is in feite een ‘container begrip’ waar heel veel onder geschaard wordt, afhankelijk van welke ontwikkeling het betreft (taal, motoriek, concentratie, planning, sociaal functioneren, etc), wat zich ook nog eens kan voordoen in allerlei gradaties variërend van ‘vrijwel normaal’ en ‘niets aan doen’ tot zeer ernstig, invaliderend en met verregaande consequenties op vele levensgebieden. Een soort problematiek waar je weinig hebt aan allerlei bestaande vakjes en categorieën maar waarbij in elke situatie maatwerk moet worden geleverd, omdat iedereen uniek is en vrijwel niemand precies in een bestaand vakje blijkt te passen.
    .
  • Voorwerk voor het intakegesprek/ diagnostisch onderzoek: Mocht u op grond van bovenstaande vermoeden dat er wel eens sprake zou kunnen zijn van ontwikkelingsprobleamtiek bij uw kind of bij u zelf, dan zou u alvast het boekje ‘Sociaal Onhandig’ van B. van den Hoofdakker en L. van der Veen, door kunnen nemen en plusjes en minnetjes in de kantlijn zetten, op geleide van de vraag of en in welke mate, u het daarin beschrevene van toepassing acht op uw kind (of uzelf). Blijkt er dan, terugbladerend, hier en daar een plusje te staan, dan is de diagnose ontwikkelingsstoornis erg onwaarschijnlijk en kunnen we ons op andersoortige verklaringen richten. Staat het hele boekje vol met plusjes, dan kunnen we die optie niet zomaar terzijde leggen en moeten we het toch serieus gaan overwegen.
    .
  • Belang van oordeel/ inschatting van de ouders: Naarmate een stoornis nl duidelijker en ernstiger is kunt u veiliger afgaan op het oordeel van een deskundige. Naarmate een stoornis echter subtieler is, blijkt het betrouwbaarder te zijn om meer te leunen op het oordeel en inschatting van de ouders zelf, die hun kind immers al vele jaren dag en nacht meemaken en al ontzettend vaak gedachten en gesprekken met talloze anderen over de zorgen over hun kind hebben gehad.
    .
  • Shared Decission Making: (Kinder- en Jeugd-) psychiatrische diagnostiek en behandeling is dus niet iets wat je in je eentje doet maar nadrukkelijk samen met de ouders en ev. andere betrokkenen (leerkrachten).
    .
  • Diagnose als voorwaarde voor behandeling: Tenslotte: Een diagnose is een middel en geen doel op zich maar heeft alleen zin als het iets toevoegt. Bijv. als het een concept/ houvast biedt om allerlei dingen in hun onderlinge samenhang te begrijpen die daarvoor onbegrijpelijk waren en uit de lucht leken te komen valen. Of als het richting geeft aan een behandeling. Vraag u dus altijd af of het in uw geval eerder een middel of een doel op zich is.
    .

    • Hoewel de eerlijkheid ons gebiedt te zeggen dat wij tijdens de intakefase nog zonder diagnose kunnen, maar als u verder wilt met behandeling, wij dat alleen mogen als er een diagnose is, althans als u de zorg in aanmerking wilt laten komen voor vergoeding door de zorgverzekeraar (> 18) of de gemeente (<18). Regels en bepalingen vanuit de zorgverzekeraars en de overheid waar wij, waarschijnlijk net als u, zo onze bedenkingen bij hebben, maar waar wij helaas geen invloed op hebben.

-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-

Interne links: (naar geassocieerde onderwerpen BINNEN deze website)

  • .

Externe links: (naar geassocieerde onderwerpen BUITEN deze website)

  • .